Bank of England tast in het donker

De Bank of England (BoE) loopt achter op de Europese en Amerikaanse collega’s op vlak van renteverlagingen. De ECB pitste in een op één na aansluitende reeks 150 bpn van de beleidsrente. Er staat nog (een laatste) 25 bpn in de steigers. De Fed, hoewel momenteel in een lange pauze, bracht vorig jaar 100 bpn in mindering. De teller voor de BoE staat voorlopig op 3x25 bpn en enkel op vergaderingen met nieuwe kwartaalvoorspellingen.
De laatste zo’n bijeenkomst was februari (-25 bpn). De lat voor de tussentijdse van gisteren lag daardoor laag. De Bank of England liet de beleidsrente zoals verwacht op 4.5%. Die beslissing was naar goede gewoonte niet unaniem. De überduif Swati Dhingra stemde eens te meer voor een bijkomende renteverlaging. Ze pleitte deze keer wel slechts voor 25 bpn i.p.v. 50 bpn zoals vorige maand. Het team van 8 dat het status quo onderschreef, verwelkomde bovendien twee nieuwe leden die op elk van de vorige drie vergaderingen nog voor monetaire versoepeling stemden. Gisteren veranderden ze het geweer van schouder. Dat lokte een kleine versteviging van het pond uit waarvan we de onderliggende kracht toch in vraag stellen.
Op zich veranderde de analyse van de centrale bank niet veel. Het status quo was een compromis tussen iets hoger dan verwachte inflatie en marginaal betere groei (2024kw4) versus de recent zwakkere sentimentsindicatoren (PMI’s) die weinig goeds voorspellen, vooral op vlak van tewerkstelling. In essentie is het de bevestiging van de groeiende stagflatierisico’s die de BoE in februari voor de eerste keer zwart op wit neerpende. Dat is trouwens ook waar de afnemers van de hierboven genoemde PMI-enquête al enkele maanden op alluderen. Zicht op die weinig benijdenswaardige context wordt bovendien belemmerd door de grote onzekerheid op het wereldtoneel. De begeleidende verklaring van gisteren voorziet een aparte paragraaf aan toegenomen spanningen op handels- en ander geopolitiek vlak. De impact van zoveel verhaallijnen blijft uiterst moeilijk in te schatten. Dan is het maar logisch dat de centrale bank voorzichtig omspringt met het verlagen van de rente, vooral omdat inflatie nog altijd boven de 2%-doelstelling zweeft. Onder het motto van herhaling werkt: de grootste beleidsfout die een centrale bank nu kan maken is om inflatie opnieuw aan te wakkeren met een te lage beleidsrente. Bovendien moeten centrale bankiers nog altijd een deel van het vertrouwen terugwinnen dat verloren ging na de groteske onderschatting van het inflatiegevaar in de nasleep van de pandemie. Geloofwaardigheid is het hoogste goed.
Hoge Britse inflatie (tussen 3% en 5% afhankelijk van de maatstaf) bindt dus de handen van de centrale bank. De markt erkent dat. Ze rekent vandaag op minder dan twee renteverlagingen dit jaar en twijfelt (terecht) of de BoE in mei doorgaat op het elan van trimestriële versoepeling, ook al zou de zwakke economie hier baat bij hebben. In zo’n context is de ruimte voor GBP-herstel op een mogelijk blijvend hoge beleidsrente beperkt. In een breder perspectief zien we voor de evolutie van EUR/GBP vooral een rol voor de euro weggelegd. Die trapt nu op de adem na een stevige spurt begin maart. Maar de gevolgen van de Europese fiscale aardverschuiving zijn groot, positief en blijvend. EUR/GBP ervaart wat weerstand rond 0.847 (januaritop) maar is slechts een tussenstop richting de eerste echte referentie rond 0.862.
EUR/GBP is hoofdzakelijk een verhaal van een sterkere euro
